A2 tot C1
Lees elke dag het laatste Nederlandse nieuws van NOS.nl. Woorden worden automatisch gemarkeerd op basis van je CEFR-niveau.
Schrijf een realistisch berichtje. Bekijk daarna het modelantwoord.
Vul het formulier in of schrijf een formele brief. Leer bureaucratisch Nederlands.
Schrijf een review over een restaurant, product of ervaring.
Klik op een kaart om een spiekbriefje met vaste voorzetsels te genereren.
Typ een Nederlands zelfstandig naamwoord en ontdek of het een de-woord of een het-woord is.
Zoek een werkwoord of bijvoeglijk naamwoord om te zien welk voorzetsel erbij hoort. Ook met waar + voorzetsel en voorzetsel + wie.
Gebruik waar + voorzetsel als je naar een ding/zaak verwijst in een vraag of relatieve bijzin.
| Vorm | Voorzetsel | Voorbeeld (vraag) | Voorbeeld (relatieve bijzin) |
|---|---|---|---|
| waarin | in | Waarin geloof je? | Het huis waarin ik woon |
| waarop | op | Waarop wacht je? | De stoel waarop je zit |
| waarmee | met | Waarmee ben je bezig? | De pen waarmee ik schrijf |
| waarvan | van | Waarvan droom je? | Het boek waarvan ik hou |
| waarover | over | Waarover praat je? | Het onderwerp waarover we praten |
| waarvoor | voor | Waarvoor ben je bang? | Het doel waarvoor ik werk |
| waaraan | aan | Waaraan denk je? | De tafel waaraan we zitten |
| waarnaar | naar | Waarnaar kijk je? | De film waarnaar ik kijk |
| waaruit | uit | Waaruit bestaat het? | Het glas waaruit ik drink |
| waartegen | tegen | Waartegen vecht je? | Het beleid waartegen ze protesteren |
| waartoe | tot | Waartoe leidt dit? | De groep waartoe hij behoort |
| waarbij | bij | Waarbij hoort dit? | De club waarbij ik zit |
| waarom | om | Waarom lach je? | De reden waarom ik lach |
Gebruik voorzetsel + wie als je naar een persoon verwijst in een vraag of relatieve bijzin.
| Vorm | Voorbeeld (vraag) | Voorbeeld (relatieve bijzin) |
|---|---|---|
| met wie | Met wie praat je? | De man met wie ik praat |
| op wie | Op wie wacht je? | De vriend op wie ik wacht |
| van wie | Van wie hou je? | De vrouw van wie ik hou |
| voor wie | Voor wie werk je? | De baas voor wie ik werk |
| over wie | Over wie praat je? | De schrijver over wie we praten |
| aan wie | Aan wie denk je? | De collega aan wie ik het vroeg |
| naar wie | Naar wie luister je? | De docent naar wie ik luister |
| bij wie | Bij wie logeer je? | De vriend bij wie ik logeer |
| tegen wie | Tegen wie zei je dat? | De persoon tegen wie ik het zei |
| om wie | Om wie geef je? | De mensen om wie ik geef |
Laden...
Laden...